Middeleeuwen (vanaf 500-1500)

900 JAAR VICHTE

 In 2019 blaast ons dorp 900 kaarsjes uit! Om deze nakende verjaardag met de gepaste luister en eerbied tegemoet te treden, duikt heemkundige kring De Spinspoele de komende maanden in de  Vichtse onstaansgeschiedenis en achterhaalt ze wat enkele mensen heeft gedreven om zich op deze specifieke plaats – langs wat later de Kasselrijbeek zal worden genoemd, in de schaduw van Pareel- en Klijtberg – te vestigen, kinderen te krijgen en er economisch leven te ontwikkelen. Want, hoe gaat dat precies, een dorp stichten? En waarom in godsnaam hier, op nauwelijks een paar honderd meter van waar vandaag dit stukje wordt gepleegd. Onze trouwe lezers zullen samen met ons ontdekken dat de geboorte van Vichte nogal wat voeten in de aarde had en allerminst zonder slag of stoot is verlopen. Deze wonderlijke geschiedenis zal ons ook ver buiten de dorpsgrenzen leiden: naar Gent, Denemarken, het Heilig Land en – dit zal de Vichtenaren misschien nog het minst verbazen – ook de Champagnestreek. In deze eerste episode keren we evenwel terug naar het land tussen Leie en Schelde in het jaar 1000, de maagdelijke bakermat waarin Vichte honderd jaar later het levenslicht zal zien.

Auteur: Brecht Dewaele

Aan de grenzen van een graafschap

In de middelbare school hebben we allemaal geleerd dat onze contreien tijdens de Middeleeuwen tot het Graafschap Vlaanderen behoorden, een drassig en donker lapje West-Europa dat de graaf – die hofhouding hield te Gent – eigenlijk in bruikleen hield van de Franse koning. Toch weten weinigen dat er ook een stukje Vlaanderen was waarover koning noch graaf zeggenschap had. We hebben het over het Graafschap Ename, een gebied (het latere Rijksvlaanderen) geklemd tussen Schelde en Henegouwen dat samen met Brabant onder het gezag van de Keizer van het Heilig Roomse Rijk – de voorloper van het huidige Duitsland – viel.  Anno 1000 was de Schelde met andere woorden de buitengrens van graafschap en van koninkrijk, wat vanzelfsprekend  geregeld voor spanningen in de streek zorgde: het aanhoudend  grensconflict leidde zowel in 1033 als in 1047 tot de bezetting en de verwoesting van de Duitse buitenposten te Ename. In 1056 probeerde de keizer de lont uit het kruitvat te halen door Ename in leen aan de Graaf schenken. Maar territoriaal bleef dit Rijksvlaanderen wel degelijk deel van Heilig Rooms Rijk, en dus buiten het Franse Koninkrijk. En dus behield de Schelde haar functie als enige natuurlijke grens tussen de twee grootste mogendheden van die tijd.

De gevoeligheden langs de rivier waren een blijvende kopzorg voor de graaf. Te meer daar het grootste deel van het interfluvium tussen Leie en Schelde nog bedekt was door een onmetelijk en ongerept woud, en dus, vanuit militair perspectief en met het oog op interventies vanuit Gent, waardeloos.  De graaf had nood aan een stevige lokale verdedigingslinie, georganiseerd door trouwe vazallen. De toewijding van de plaatselijke heren en grondbezitters werd gekocht met schenkingen en met lenen, een beproefd procedé in een tijd waarin er van beroepslegers hoegenaamd geen sprake was. Bovendien vergden de eerste Kuistochten vanaf het einde van de 11de eeuw een grote inzet aan manschappen en middelen, waardoor de graaf steeds volk tekort kwam.  Niet alleen voor de campagne zelf, maar ook voor de verdediging van het thuisland tegen rivaliserende potentaten die hun kans schoon zagen wanneer hij weer eens voor lange tijd van huis was.

Aan de Schelde dienden vooral de heren van Petegem zich aan als een machtig geslacht. Niet alleen waren zij lange tijd onmisbaar voor de verdediging van de buitengrens (Oudenaarde werd pas in 1030 gesticht) , ook tijdens de Eerste Kruistocht toonde de heer van Petegem zich een erg trouw metgezel van de graaf. Bovendien onderhielden hij en zijn voorgangers nauwe banden met de Sint-Pietersabdij van Gent, de grootste geestelijke macht in het toenmalige Vlaanderen en één van de pijlers van het grafelijke gezag. Meteen is een belangrijke protagonist in de stichtingsgeschiedenis van Vichte bekend. In een latere episode nemen we dan ook uitgebreid de tijd om de doorslaggevende betrokkenheid van Ingelbert van Petegem, en vooral van diens ondernemende zoon Goswin, uitvoeriger te belichten.

 

In de bossen van Vlaanderen…

Aan de vooravond van het tweede millennium waren er behalve Petegem met zijn burcht,  nauwelijks dorpen en nederzettingen in de streek, enkele gehuchten, zoals Tiegem (9de eeuw) en Anzegem (10de eeuw), niet te na gesproken. Het ganse Graafschap Vlaanderen was anno 1000 – naar de normen van vandaag – erg dun bevolkt. Binnen haar territorium woonden er toen naar schatting 200 000 mensen. Gent, de grootste stad, had in die tijd niet meer  dan 10 000 inwoners. Het golvende gebied tussen Leie en Schelde was toen nog een uitgestrekt en ongerept eikenwoud dat bijna tot de poorten van Gent zelf reikte, en werd enkel doorsneden door enkele oude Romeinse heirwegen.

Aan de Leie waren de grootste nederzettingen in die tijd Kortrijk en Harelbeke. De stad Kortrijk bevond zich op een knooppunt van twee  heirwegen: enerzijds was er de verbinding tussen Doornik en de kust, en er was de langere baan die uit Boulogne kwam en vanaf Harelbeke in de richting van de Scheldevallei zwenkte om dan  door de Zwalmstreek verder doorheen Brabant naar Tongeren te leiden. Nog vanaf Harelbeke was er ook een secundaire weg die de Leie verder volgde tot Gent. De graaf van Vlaanderen, die in Harelbeke een buitenhuis had, gebruikte de oerbossen bezuiden de moerassen van de Gavers toen als een privaat jachtterrein. Ook de groene oevers van de Fiftabeek, een onooglijk stroompje te midden van dit Methelawoud, waren toen het decor van sporadische jachtpartijen. Voorts hadden de weelderige fauna en flora er vrij spel. Niets deed vermoeden dat de economische voorspoed van het graafschap spoedig een einde zou maken aan deze idylle.

 

In de groeiende nabijheid van stad en kerk

Een doorslaggevende factor dienen we buiten de microregio tussen Leie en Schelde te zoeken: de  ontwikkeling van de Vlaamse steden. Vooral Gent, dat onder impuls van de lakenindustrie tot een belangrijke handelsplaats was geëvolueerd, groeide enorm snel en zag haar bevolking in minder dan tweehonderd jaar vertienvoudigen. Drijvende krachten achter die ontwikkeling waren de twee grote abdijen die Gent sinds de 7de  eeuw had: Sint-Baafs en Sint-Pieters. Van hieruit werd het culturele, spirituele en economische leven van de hele omringende regio georganiseerd.

Vanzelfsprekend kwam dergelijke expansie tegen een kostprijs: de uitdijende steden vergden steeds meer voedsel, grondstoffen en bouwmaterialen die van elders aangevoerd dienden te worden, en dus moest het grote Scheldewoud eraan geloven. Dat de kolonisatie en exploitatie van de Vlaamse bossen ongemeen hard ging, wordt gestaafd door de verwerking van geïmporteerde Centraal-Europese eik in 13de  eeuwse Gentse bouwwerken. Hieruit blijkt dat de Gentenaars (en andere stedelingen) er in nauwelijks twee eeuwen tijd alle bomen uit eigen streek hadden doorjaagd. Bovendien hadden de tienduizenden Gentenaars ook nood aan bijkomende voedselbronnen, daar het eigen moerassige ommeland zich niet  goed tot landbouw leende.

Dit proces van kolonisatie en ontbossing werd nog versneld door het sterke machtsverbond tussen de graaf en geestelijkheid. Gezien de kerkelijke territoria (de bisdommen en de aartsbisdommen) in die tijd niet geheel overeenstemden met het wereldse entiteiten zoals het Graafschap Vlaanderen, probeerden vorsten en leenheren door bondgenootschappen met lokale kerkoversten te voorkomen dat de clerus zich tot een rivaliserende autoriteit ontwikkelde. Door schenkingen van gronden en leenmanschappen vingen de graven van Vlaanderen zo twee vliegen in een klap: ze kochten de loyaliteit van de clerus en wentelden tevens de kostelijke kolonisatie van grote onontgonnen gebieden af op de meest vermogende abdijen.

Vooral de monniken van de machtige Sint-Pietersabdij lieten hierbij hun oog vallen op het maagdelijke Methelawoud tussen Leie en Schelde. Al in de 9de eeuw kregen zij een stuk bos met heuvel, drager van de welluidende naam Tiabondinghem (het latere Tiegem), in leen. En een goede honderd jaar later, in 960, liet ook ene Rodgerus zijn bescheiden landerijen in het aanpalende Ansoldinghem (Anzegem), een open plek in het woud, aan de abt van Sint-Pieters. Omstreeks die tijd deed ook de graaf zelf afstand van een aanzienlijk deel van zijn jachtgebied. Een flink stuk bos, ingebed tussen de Leie en de samenvloeiing van Fifta- en Vivabeek (Kasselrij- en Gaverbeek), werd aan de abdij geschonken en in geen tijd ontgonnen. En zo bereikten de eerste schuchtere beschavingsvormen, ter hoogte van het huidige gehucht Nieuwenhove (Waregem), de grenzen van wat later Vichte zou worden. Het bosrijke hart van ons tegenwoordige dorp, zou echter nog meer dan een eeuw onaangeroerd blijven.

Auteur: Brecht Dewaele

 

2 Comments

  1. Vermeulen Kristof

    Beste, heb hier een document waarin enkele hofsteden uit Vichte omschreven staan. Het gaat om eigendommen van Amelot, burgemeester van Zingem. Het is beschreven in 1811. Mischien kan dit voor jullie belangrijk zijn ivm jullie gemeente.

    Reply

Leave a Comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *